Vorig jaar groef ik een gat voor een nieuwe hortensia. Dertig centimeter diep, geen enkele worm te zien. Niks. Terwijl ik als kind in dezelfde grond bij mijn ouders altijd tientallen wormen tegenkwam als we aardappels rooiden. Dat zette me aan het denken. Waar waren ze gebleven?
Drie maanden en heel wat graafwerk later had ik een redelijk beeld. Mijn tuin was een woestijn geworden voor regenwormen. Niet expres, maar door een combinatie van dingen die ik jarenlang verkeerd deed. Of niet deed. Inmiddels krioelt het weer, althans in het achterste deel. Het voorste stuk is nog werk in uitvoering.
Waarom regenwormen er überhaupt toe doen
Een regenworm is geen decoratie. Die beesten werken. Ze graven gangen, soms tot wel twee meter diep, en die gangen zorgen voor drainage en beluchting van de grond. Water zakt beter weg. Wortels kunnen makkelijker groeien. En wat erin gaat, komt er anders uit: wormenmest, ook wel wormenhumus genoemd, bevat vijf keer zoveel stikstof en zeven keer zoveel fosfaat als gewone tuinaarde.
In een gezonde bodem zitten zo’n 400 tot 500 regenwormen per vierkante meter. Laat dat even bezinken. In mijn voortuin, die ongeveer 25 vierkante meter is, zouden dus theoretisch tienduizend wormen moeten rondkruipen. Ik vond er misschien twintig bij het graven. Niet ideaal.
Zonder wormen verdicht de grond. Regenwater blijft plassen. Planten wortelen oppervlakkig en zijn kwetsbaarder voor droogte. Het is een langzame achteruitgang die je pas merkt als je echt gaat kijken.
Wat wormen verjaagt
Mijn eerste fout: kunstmest. Jaren geleden strooide ik elk voorjaar korrels uit, want dat deed iedereen in de straat. Werkte prima voor het gazon, dacht ik. Maar kunstmest verzuurt de bodem en verstoort het bodemleven. Regenwormen houden van een pH tussen 6 en 7. Zakt die onder de 5,5, dan trekken ze weg of gaan ze dood.
Tweede fout: te weinig organisch materiaal. Wormen eten dood plantenmateriaal, bladeren, wortels, compost. Ik harkte elk blad weg, snoeide alles kort en gooide het in de groencontainer. Netjes. Maar voor wormen betekende dat: geen eten.

Derde ding waar ik niet bij stilstond: verdichting. Ik liep altijd dwars door de borders als ik naar de schuur moest. De grond werd keihard. Wormen kunnen niet door verdichte aarde. Ze stikken letterlijk, want ze ademen via hun huid en hebben daarvoor losse, vochtige grond nodig.
En dan chemische bestrijdingsmiddelen. Ik heb een keer slakkenkorrels gestrooid, het blauwe spul met metaldehyde. Bleek later dat dat ook regenwormen raakt. De buurman van drie huizen verderop gebruikte jarenlang een onkruidverdelger op zijn oprit, en dat spoelde bij regen rechtstreeks zijn tuin in. Zijn gazon ziet er nog steeds uit alsof er nooit iets leeft.
De bodem testen
Voordat je gaat aanpassen, helpt het om te weten wat er aan de hand is. Ik kocht een simpele pH-meter bij de bouwmarkt, kostte een euro of tien. Stak hem op vijf plekken in de grond. Resultaat: gemiddeld 5,2. Veel te zuur.
Je kunt ook een schepje grond nemen en kijken naar de structuur. Kruimelig en donker is goed. Kleiig, klonterig of grijs betekent problemen. Bij mij was het eerder het laatste. Compacte klei met hier en daar een gele laag, wat duidt op slechte drainage.
Een ander trucje dat ik leerde van mijn schoonvader: giet een emmer water op een vierkante meter grond en kijk hoe snel het wegzakt. Bij gezonde bodem verdwijnt het binnen een paar minuten. Bij mij stond het er na tien minuten nog. Geen wonder dat de wormen weg waren.
Kalk en organisch materiaal
De pH omhoog krijgen kan met tuinkite, een calciumproduct dat je uitstrooit in het najaar of vroege voorjaar. Ik gebruikte zo’n 150 gram per vierkante meter. Niet te veel ineens, want een te snelle pH-stijging is ook niet goed. Na een half jaar was de pH gestegen naar 5,8. Nog niet perfect, maar beter.
Organisch materiaal toevoegen is het belangrijkste. Ik laat nu alle bladeren liggen in de borders. In het najaar gooi ik er een laag halfverteerde compost overheen, zo’n vijf centimeter dik. De wormen komen omhoog om het op te eten en trekken het de grond in. Je ziet het gebeuren: na een paar weken zitten er gaatjes in de compostlaag.
- Bladeren van loofbomen, niet te dik, anders gaat het rotten
- Compost uit eigen bak of gekocht bij de gemeente
- Gehakseld snoeiafval als bodembedekker
- Stro rond moestuinplanten
Geen vers grasmaaisel in dikke lagen. Dat wordt een slijmerige brij die de bodem verstikt. Dun uitspreiden kan wel, maar ik gooi het liever op de composthoop.
Verdichting aanpakken
Dit was het lastigste deel. Verdichte grond los je niet op door er één keer met een schop doorheen te gaan. Ik heb uiteindelijk in de ergste stukken een grondvork gebruikt, diep erin en dan wiebelen zonder om te keren. Beluchten noemen ze dat. Niet spitten, want dan vernietig je de bodemlagen die er nog zijn.

Daarna legde ik stapstenen aan zodat ik niet meer door de borders hoef te lopen. Simpel, maar het scheelt enorm. En ik heb een pad aangelegd met schors langs de schuur. Kost bijna niks en voorkomt dat je steeds dezelfde route neemt over kale grond.
Een andere optie die ik zelf niet deed maar een kennis wel: groenbemester zaaien. Planten als gele mosterd of phacelia wortelen diep, breken de grond open en als je ze onderwerkt, voegen ze organische stof toe. Klinkt omslachtig, maar in een moestuin die je toch elk jaar bewerkt, is het makkelijk inpasbaar.
Wat je verder kunt doen
- Stop met kunstmest. Gebruik compost of gedroogde koemest
- Geen chemische bestrijdingsmiddelen, ook niet op de oprit als die afwatert naar je tuin
- Mulchen met organisch materiaal, houdt vocht vast en voedt wormen
- Niet te vaak en niet te diep spitten, hooguit in het voorjaar licht losmaken
Ik heb ook geprobeerd om wormen bij te kopen. Je kunt ze online bestellen, compostwormen meestal. Werkte matig. Ze bleven niet. Achteraf logisch: als de omstandigheden niet kloppen, vertrekken ze of gaan ze dood. Eerst de bodem verbeteren, dan komen ze vanzelf.
Geduld en realisme
Na een jaar had ik in het achterste stuk van de tuin, waar ik het meeste compost had toegevoegd, al merkbaar meer wormen. Niet honderden, maar tientallen per vierkante meter. De grond rook ook anders, aardser, minder muf. Planten die ik daar neerzette, sloegen beter aan.
Het voorste stuk blijft lastig. De grond daar is zwaarder, meer klei, minder zon. Daar ben ik nu bezig met gipskorrels, wat helpt om klei losser te maken. Kost tijd. Waarschijnlijk nog een jaar of twee voordat ik daar echt resultaat zie.
Mijn buurman ergert zich er ook aan dat zijn tuin zo dood aanvoelt. Hij heeft me laatst gevraagd wat ik deed. Ik zei: stop met harken en laat de rommel liggen. Hij keek alsof ik gek was. Maar een rommelige tuin is vaak een gezondere tuin. Dat besef drong bij mij ook pas laat door.







